| De ruimtelijke verschijning van de stad Groningen is in de twintigste eeuw aanzienlijk veranderd. Niet alleen heeft de stad zich uitgebreid naar alle windrichtingen, ook het eeuwenoude centrum is aan veel verbouwingen en herinrichtingen onderhevig geweest. Deze transformatie heeft zich niet alleen bovengronds, in de architectonische ruimte van de stad afgespeeld. Ook op en onderhet maaiveld hebben zich transformatieprocessen voltrokken die belangrijk zijn geweest voor de stadsontwikkeling. De introductie van asfalt, het leggen van centrale riolering of het bouwen van een verhoogde ringweg zijn stuk voor stuk voorbeelden die, hoewel niet altijd zichtbaar of passend in het architectonische vocabulaire, grote gevolgen hebben gehad voor de stedelijke ruimte. Ook zijn het processen die vaak een langere periode in beslag namen. Het uitbreiden van buizennetten voor drinkwater en gas of het veranderen van straatprofielen zijn fenomenen geweest waar vele jaren mee gemoeid waren. En feitelijk nog iedere dag plaatsvinden. De huidige stedenbouwhistorische literatuur schiet ten aanzien van deze stedelijke techniek op twee fronten tekort. Ten eerste heeft zij zich hoofdzakelijk toegelegd op de bovengrondse, architectonische gedaanteverandering van de stad. Civieltechnische bouwwerken pasten doorgaans niet in het te onderzoeken stadsbeeld, laat staan de netwerken van buizen en kabels die zich onder de grond bevinden. Daarnaast beschrijft de bestaande literatuur de stadsontwikkeling in een ritme dat niet overeenkomt met het langzame, continue groeiproces van de civieltechnische, stedelijke infrastructuur. De geschreven stedenbouwgeschiedenis kenmerkt zich namelijk door het beschrijven van slechts enkele kantelmomenten of ijkpunten in de ontwikkeling van een stad. Die momenten worden traditioneel gevonden in grote plannen als uitbreidingsplannen, waarin de toekomstvisie van een stad voor vele jaren werd vastgelegd. Hoe de stad zich in de periode tussen die ijkpunten heeft ontwikkeld, bijvoorbeeld op het gebied van infrastructuur, blijft vaak achterwege. Zodoende is er een traditie ontstaan waarin werd geschreven van plan naar plan en waarin nauwelijks tot geen plek werd ingeruimd voor het continue groei- en veranderingsproces van wegen, elektriciteitsnetten of drinkwaterstelsels. Dit onderzoek wil in die leemte voorzien door deze stedelijke infrastructuur, ofwel de netwerken voor energie, verkeer, welzijn en communicatie, centraal te stellen en te analyseren op hun aandeel in de stadsontwikkeling. Meer precies tracht het onderzoek inzicht te verkrijgen in de materiƫle, ruimtelijke gedaante van de civieltechnischische (net)werken in de stad, in de aanname dat zij de harde kern van de stedenbouw vormen. De stad Groningen dient daarbij als geografische afbakening van het onderzoek, de twintigste eeuw is daarbij de onderzoeksperiode. Het leeuwendeel van het onderzoeksmateriaal bestaat uit het archief van de dienst Gemeentewerken. Deze dienst was als organisatie verantwoordelijk voor het organiseren, uitvoeren en onderhouden van de stedelijke infrastructuur. |